|
uit: Die Ammoniten des süddeutschen
Lias. Rudolf Schlegelmilch.
08-04-1994 vertaald door George Brouwers.
Het uiterst veelsoortige verloop
van de sutuur of sutuurlijn kan als een van de belangrijkste maatstaven
gelden in de systematiek van de ammonieten. Evenzo leerzaam als
de vorm van een volledig ontwikkelde sutuur is ook haar ontwikkeling
aan het individu (ontogenese) en in de opeenvolging van de voorouders.
(fylogenie).
De lobben van een sutuur zijn de
van de mond van het huis afgewende bogen. Hier tussen bevinden
de naar de mond gerichte zadels. Geeft men de sutuur op een plat
vlak weer door de koker van het huis uiteen te vouwen, dan beperkt
men zich, uitgaande van de symmetrie, tot een van de flanken inclusief
de aangrenzende interne (afgedekte) en externe (niet afgedekte)
bestanddelen. Daarbij is de groeirichting van de koker steeds
naar boven gericht, waarheen ook de op de externe mediaanlijn
van het huis gemarkeerde pijl wijst. De navelnaad van het huis
wordt door een kleine boog aangegeven. De sutuurelementen welke
binnen de naad liggen, d.w.z. door de voorgaande winding zijn
afgedekt, vormen de afgedekte (innere) sutuurlijn.
De meest primitieve sutuur van
een individu is de prosutuur. Bij bijna alle Neoammonoideen is
zij van het zogenaamde angustisellaten type. De gekozen naam verwijst
naar de smalle externe mediaanzadel. (latijn angustus=smal, sella=zadel.
Afbeelding 7a op pagina 7. Uitgaande van de zadellozen (asselaten),
een bijna rechtlijnig verloop bij devonische ammonietachtigen,
vormt hij het hoogst ontwikkelde type prosutuur. Tussen de externe
zadel en een wezenlijk zwakkere interne zadel liggen nog twee
tot drie zwakke lobben. Hiermede wijkt de vorm van de prosutuur
wezenlijk af van die van de volgende suturen. Bij Normanittes
vulgaricostatus werden verrassend genoeg twee prosuturen van gelijke
vorm waargenomen.
De sutuur van het tussenschot,
dat de eerste echte kamer afsluit, wordt als primair- primairsutuur
aangeduid. Ze bezit in tegenstelling tot de prosutuur de grondelementen
van alle volgende suturen. De ervaring leert, dat bepaalde prosutuurtypen
niet altijd met bepaalde typen van de primairsutuur gekoppeld
zijn, zoals men dat zou verwachten.
De primairsutuur van het voorbeeld
in afb.7 op pagina 7 laat daar zien waar de prosutuur een extern
en intern zadel laat zien, de externe lob E resp. de interne lob
I. Een ongeveer even sterk ontwikkelde lob wordt als laterale
lob L. aangeduid, omdat deze op de flank van het huis ligt. (lat.latus=flank
van het lichaam).
De lobben E. I. en L. vormen in ieder stadium van de ontogenie
de basis van de sutuur van alle ammonietachtigen en worden derhalve
ook protolobben genoemd. Daarnaast vertonen zich tussen L. en
I. nog zogenoemde umbilikale lobben (lat.umbilicus=navel). Onafhankelijke
lobben tussen L. en E. (bijlobben) zijn bij Neoammonoideen (Ammonieten)
niet bekend. Typisch voor de meeste vertegenwoordigers van deze
groep zijn daarentegen de beide umbilikale lobben U1 en U2 in
de primairsutuur, waarbij U2 op de windingsnaad ligt en steeds
naast L. verblijft. Daarom werd U2 vroeger als tweede laterale
lob aangeduid. De telwijze van de beide eerste umbilicale lobben
beantwoord aan de volgorde van hun fylogenisch eerste optreden.
U2 ontbreekt aanvankelijk in de primairsutuur van de ammonieten
gedurende het Perm en bij de meesten in de Trias, wordt echter
bij deze dikwijls in de verdere individuele ontwikkelingsgang
aangelegd.
De aanduiding van de zadels wordt van die van de lobben afgeleid.
De zadel tussen U1 en U2 wordt bijvoorbeeld met U1/U2 aangeduid.
Voor de zadel E/L is ook de naam externe zadel gebruikelijk.
Zoals het voorbeeld in afbeelding
7 op pagina 7 verder laat zien komen bij de twee primaire umbilikale
lobben in het algemeen er meerderen bij. Hier stijgt het getal
tot 5, waarbij de manier van tellen gekozen wordt conform de volgorde
van ontstaan tijdens de ontwikkeling van het individu. Bij het
onderzoeken van een geïsoleerde sutuur zal men dus de kenmerken
niet direct kunnen benoemen. Integendeel men heeft daarbij de
kennis nodig van het verloop van de ontwikkeling van de soort.
Bij Liasammonieten zijn 12 umbilikale lobben geen zeldzaamheid.
(Pseudolioceras uit het Boven Toarcien). De vorming van de umbilikale
lobben is meestal onderworpen aan de volgende modus: Eerst verwijdert
U2 zich van de navelnaad naar buiten en de zadel U1/U2 verschuift
naar de naad waar zich de nieuwe lob U3 op haar neerlaat. Deze
beweegt zich eveneens naar buiten; U4 wordt aan de naad op de
zadel U1/U3 neergelaten enz.
De vermeerdering van de lobben
kan ook plaatsvinden door een elkaar afwisselende zadelsplitsing,
doordat op de naad gevormde umbilikale lobben afwisselend naar
buiten en naar binnen gaan. Deze wijze treedt overwegend op bij
soorten waarvan de leeftijd van de sutuur meer dan vier umbilikale
lobben laat zien. De wijze van tellen, die overeenkomt met de
ontstaanswijze heeft als resultaat dat met uitzondering van U1
en U2 de even genummerde lobben binnen en de oneven genummerden
buiten de naad liggen. Geeft men in dit geval, zoals vaak gebruikelijk,
de volgorde van de lobben overeenkomstig haar positie op de figuur
van de sutuur weer; dan geldt bijvoorbeeld voor Hudlestonia serrodens
(blz.100) lobbenformule E L U2 U3 U5 U6 U4 U1 I. Ook deze afwisselende
zadelsplitsing is niet altijd even strikt. Bij Paroniceras (Boven
Lias) die een primairsutuur met ontbrekende U2 vertoont, verschijnt
bijvoorbeeld U4 tussen U2 en U3.
Een verdere vorm van vermeerdering
van de lobben treedt op bij Cymbites (Midden Lias). Hier ontstaan
nieuwe lobben niet door het inzinken in een zadel, maar de eerst
sterk verbreedde U1 wordt door het uitdijen van een nieuw zadel
in twee zelfstandige lobben gesplitst. (afb. 8 op pagina 8). Deze
behouden de index van de oorspronkelijke lob; echter aangevuld
met de toevoeging v. of d., al naar gelang het ontstane gespleten
produkt ventraal of dorsaal (zie afb. 8) van de splitsende zadel
ligt. Bij U1v vindt dan nogmaals de opwelving van een nieuw zadel
plaats met als opeenvolgende ontwikkeling U1vv en U1vd.
Afwijkend van de genoemde soorten
ontwikkeling van het sutuurelement is de zogeheten vorming van
de suturale lobben. Ze is karakteristiek voor de Phyloceraten,
treedt echter ook bij de Ammonitina op (Liparoceras Midden Lias)
daarentegen zeer zelden bij de Lytoceraten. De typische vorming
van suturale lobben gebeurt door het doen ontstaan van sutuurelementen
op de? (zur) windingsnaad. Bij de Phylloceraten houdt deze wijze
van vorming rekening met de sterke rek van het gebied van de naad
van de koker van het huis, dat echter omgekeerd niet met de vorming
van suturale lobben verbonden moet zijn. Zoals het voorbeeld in
afb. 9 toont verschuift zich in een bepaald stadium een van de
regulier gevormde umbilikale lobben - hier U3 - naar de naad en
wordt zo een suturale lob. Een zadel welft zich in hem op, waarin
zich vervolgens een lob neerlaat en welke weer door een zadel
wordt gesplitst; enzovoort. Ieder element splitst het voorafgaande
in tweeën en schuift de sutuurlijn symmetrisch richting naad uiteen.
De aanduiding suturale lob S geldt in het vervolg voor het gezamenlijke
complex van samenstellende elementen.
Niet in alle gevallen verloopt
de vorming van de suturale lobben precies volgens het zojuist
toegelichte model. Bij veel soorten worden asymmetrische fasen
tussengevoegd, zodat het aantal bestanddelen buiten de naad iets
hoger kan zijn als die er binnen. Dit strookt met de meest sterke
groei van de buitenzijde van het kokerdeel (concave windingszone)
ten opzichte van de buitenzijde van het kokerdeel. (concave windingszone).
In het totale beeld van de sutuurlijn
kan het complex van de suturale lob veschillende vormen aannemen.
Steeds neemt de grootte van de bestanddelen in overeenstemming
met haar leeftijd toe met als gevolg een groter wordende afstand
van de naad. In het eenvoudigste geval zijn de bestanddelen in
een rechtlijnige reeks aan elkaar gevoegd. Bijzonder markant is
de boogvormige doorhangende vorm van het complex. Men spreekt
in dit geval van suspensief gedrag of van een suspensief lob.
(lat. suspendre=ophangen). Een typisch voorbeeld laat figuur 11a
zien. De suspensieve sutuurvorm in het gebied van de naad is echter
niet beperkt tot suturale lobben. In de engelse taal wordt het
begrip "suspensive lobe" zelfs toegepast op het buiten de naad
liggend deel van alle umbilicale lobben, ook als deze geen hangend
gedrag vertonen.
Aangrenzende suturen vertonen in
een normale situatie een duidelijke afstand ten opzichte van elkaar.
Afwijkend hiervan kan het echter ook tot een overlapping van de
suturen komen wanneer bijvoorbeeld hoog verfijnde sutuurlijnen
in het eindstadium van de groei van het huis elkaar naderen. (zie
afb. 4b.). Hier kunnen de uiteinden van bepaalde lobben door de
zadel van de voorgaande sutuur bedekt worden, waardoor zij op
de koker van het huis niet zichtbaar worden. Dat betekent dat
de overeenkomstige sectoren van de rand van het tussenschot niet
aan de wand van de koker, maar aan het voorgaande tussenschot
aangroeien, welke dan op zijn rugzijde het missend deel van de
sutuur draagt Een lob die deze groei laat zien wordt septaallob
genoemd. Karakteristieke septale lobben zijn de interne lobben
van vele Lytoceraten. afb. 11c maakt dit aanschouwelijk middels
een voorbeeld van een bekende Lytocerassoort uit de Midden Lias.
Naast de bouw van nieuwe sutuurelementen,
1e structuur, worden beschikbare elementen door vorming van plooien
gevormd, 2e structuur. Wordt een sutuurelement door een kerf in
zijn midden (mediaanincisie) gedeeld, spreekt men van een bifid
zadel resp. lob (afb.10a) (lat.bifid=in tweeën gesplitst).
Volgt door twee incisies een driedeling, noemt men dat sutuurelement
trifid (afb.10b). Vroeger heette dat voor de zadel bipartit resp.
tripartit en voor de lobben dicranid resp. triaenid.
De oudere ammonieten uit het mesozoicum
vertonen dikwijls slechts een zogenaamde eepolige insnijding,
welke tot een inkeping van de basis van de lob beperkt is. Karakteristiek
hiervoor is de "ceratitische" sutuurlijn, waarvan afb.10c een
voorbeeld toont. In de loop van de ontwikkeling klom de insnijding
aan de zijkant van de lobben naar boven. Bij de meeste neoammonoideen
zijn lobben en zadels aan een insnijding onderworpen, om welke
reden deze ammonietische sutuur als tweepolig ingesneden wordt
aangeduid.
Terwijl nieuwe sutuurelementen
aan de naad van de winding worden gevormd, gaat de insnijding
van de elementen uit van de omgeving van de mediaan, d.w.z. van
de externe- en interne lob. De insnijding van de lobben leidt
tot puntige spitsen, die van de zadels tot meer afgeronde bladeren.
De laatsten zijn in het bijzonder bij de Phylloceraten (gr.phyllon=blad)
sterk geprononceerd en hebben het aantal bladeren per zadel zo
nu en dan een taxonomische betekenis.
Een typisch vorming van plooien,
2e structuur, is de vroegst aanwezige insnijding van de interne
lob. De simpelste vorm heeft in dit opzicht de gladde eenvoudige
interne lob van de Phylloceraten, waarvan de flanken volledig
oningesneden blijven en die aan de basis tweespitsig is. (afb.11a,b)
Ook de Lytoceratina laten een vroege bifide insnijding van I.
zien, die echter door een insnijding van de flanken wordt vergezeld.
Ook hebben ze de neiging zoals reeds is vermeld tot de vorming
van de I. als septale lob. (afb.11c). De vroege Ammonitina onderscheiden
zich in de wijze van vorming van de interne lob eigenlijk alleen
daardoor van de Lytoceratinen dat ze geen septale lob vormen en
de bifide insnijding van I vroeger inzet dan die van de flanken.
Reeds in de Boven Lias toont zich reeds een tendens tot de trifide
vorm van I. (afb.11d), welke dan bij alle later Ammonitina, ofschoon
niet zonder uitzondering, overheerst.
Een verder betekenisvolle vorming
van plooien, 2e structuur, is de tweedeling van de eerste umbilikale
lob van de Jura ammonieten.. Een bifide U1 hebben bijna alle Ammonitina
en Lytoceratina uit de Onder Lias. De incisie is vaak zo diep,
dat de uitleg van het ventrale bestanddeel U1v als zelfstandige
lob ( U3 bij de Lytoceratina) voor de hand ligt. Bij de Phylloceratina
is een tweedeling van U1 tot nu toe onbekend.
Tenslotte verdient de mediaan-incisie
van de externe zadels nog vermelding. Ze treedt bij de Jura ammonieten
vaak in een relatief vroeg stadium van de sutuur op, evenals,
indien voorhanden, de tweedeling van U1. (afb. 9 en 11d) en tekent
zich dan ook in sterk ingesneden bejaarde suturen duidelijk van
de andere plooivormingen af.
Door vorming van plooien, 3e en
4e structuur, bereikt de vorming van tandingen en inkepingen van
de sutuur dikwijls een indrukwekkende omvang. (zie bijvoorbeeld
Liparoceras gallicum in de betreffende tabel.) Zijn zo hoog verfijnde
sutuurlijnen beschikbaar, vrijgekomen tijdens het verloop van
de ontwikkeling, dan is de uitleg van de elementen zeer moeilijk.
Bij vergelijkbare beoordeling van de bejaarde suturen staan daarom
de graad van insnijding, de proporties van belangrijke elementen
en het verloop op de voorgrond.
|